Jarenlang had ik het gevoel dat ik door de mand zou vallen.
Het gekke was: ik deed veel dingen best goed. Dat wist ik ook wel. Mensen waren tevreden, het werk klopte, ik kreeg het voor elkaar. En toch voelde het opgeblazen. Alsof er onder alles wat ik deed een laag gebakken lucht zat, en dat op een dag iemand erdoorheen zou prikken.
Ik heb lang gedacht dat het aan mijn zelfvertrouwen lag. Dat ik mezelf onderschatte en dat ik gewoon beter moest leren zien wat ik kon.
Maar dat was het niet. Ik kon het wél.
Het voelde opgeblazen omdat ik het vanaf de verkeerde plek deed.
Wat ik deed zonder het te zien
Ik nam de verantwoordelijkheid van anderen over. Niet bewust. Ik zag wat er nodig was en ik deed het. Dat is toch aardig.
En dan gaat iemand op je leunen. Dat is logisch , er wordt gedragen. Maar dan is het ineens jouw verantwoordelijkheid. En als je het een keer nÃet doet, is diegene boos. Ook logisch, vanaf die plek gezien.
Wat ik niet zag: ik ontkrachtte mensen. Wie gedragen wordt, oefent niet.
En ik zag nog iets niet. Dat het op die plek doodeng is om een fout te maken.
Want als jij degene bent die het draagt, staat er niemand naast je. Een fout is dan geen fout maar tekortschieten tegenover iemand die op je rust. En het betekent nog iets: dan blijkt het. Dan blijkt dat je te hoog stond.
Ik dacht altijd dat het werk me uitputte. Het was dat ik niet mocht falen.
Waarom ik er zo lang bleef staan
Omdat die plek ook iets wás. Daar was ik onmisbaar.
Naar beneden gaan, naar mijn eigen plek, gewoon tussen de anderen — dat voelde niet als opluchting. Het voelde als: en wie ben ik dan nog?
Gewoon iemand. Een van de anderen.
Ik denk dat dat de reden is dat mensen op die plek blijven staan terwijl ze eronder bezwijken. Niet omdat ze het niet zien. Omdat eronder de leegte ligt van gewoon zijn.
En toen zakte ik
Het is rustig. Dat had ik niet verwacht.
Ik mag fouten maken. We staan naast elkaar en doen ieder onze eigen dingen. Niemand hangt.
En het omgekeerde van wat ik vreesde bleek waar: ik ben niet ontmaskerd. Ik ben alleen niet meer opgeblazen. Alles wat ik werkelijk kan is er nog. Het is nu alleen van mij.
Er is een derde optie
Vanaf die oude plek waren er maar twee mogelijkheden. Zelf doen, of er geïrriteerd over zijn dat je het weer zelf moet doen.
Allebei eenzaam. En allebei bevestigen ze precies hetzelfde: dat het van mij is.
De derde optie zag ik niet, omdat hij vanaf die hoogte niet bestaat. Gewoon beginnen, en iemand meenemen. Samen doen.
Dat kan alleen als je ernaast staat.
Het verschil dat ik het belangrijkst vind
Op die oude plek was ik bijzonder in reactie.
Wat ik deed hing af van welk gat er viel en wat de ander nodig had. Dus als niemand iets nodig had, was er niets van mij. Dat voelt als uniek zijn, maar het is het niet. Het is responsiviteit, en die kan alleen bestaan zolang er iets ontbreekt bij een ander.
Nu komt er iets uit mij dat er ook zou zijn als er niemand stond.
Dat is iets anders dan bijzonder gevonden worden. Bijzonder gevonden worden is een oordeel van buiten, en daar heb je steeds opnieuw iemand voor nodig die het bevestigt. Het heeft iets verslavends.
Uniek is geen oordeel. Het is gewoon hoe iets bij jou vandaan komt. Niemand hoeft er iets van te vinden.
Ik ben nog steeds behulpzaam
Dat is niet veranderd. Ik doe grotendeels dezelfde dingen als eerst.
Alleen niet meer omdat het anders omvalt. En niet meer om onmisbaar te zijn. En meer dichtbij dan ver weg.
Mensen merken het voordat ik iets heb gezegd. Dat is denk ik ook precies hoe het werkt: het zit niet in wát je doet, maar vanaf welke plek.
Ik schiet er nog steeds in terug
Dit is geen verhaal over iets wat af is.
Als het spannend wordt, schiet ik er nog gewoon in terug. Dat gaat automatisch, net als eerst.
Het verschil is dat ik nu weet dat er een andere optie is. En dat ik het aan mijn lijf merk voordat ik het doorheb in mijn hoofd. Mijn schouders. Als de spanning daar oploopt, is dat mijn teken om te checken: sta ik nog op mijn plek?
Soms is het antwoord ja en is er gewoon veel te doen.
En soms merk ik dat ik stiekem weer even boven de boel was gaan hangen. Dat ik iets had opgepakt wat niet van mij was, zonder dat ik het besloot.
Dan kan ik terugzakken. Dat kost een paar tellen.
Dat is wat er echt veranderd is. Niet dat ik het nooit meer doe, maar dat ik het merk, en dat ik weet hoe ik terug kom.
Als je dit herkent
Je zakt niet van die plek af door beter te worden. Dat is de valkuil, en ik heb er jaren in gezeten. Je kunt honderd keer bewijzen dat je het kunt: zolang je ergens staat waar je niet hoort, blijft het opgeblazen voelen.
Je zakt eraf door te zakken.
En het enige wat je daarvoor hoeft te durven is de paar minuten waarin je denkt dat je dan niemand meer bent.
